Toen maakte God, de HEER, de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen. — Genesis 2:7
Genesis 2:7 vertelt ons over de schepping van de mens. Het vers zegt dat God de mens vormde uit stof van de aarde en levensadem in zijn neusgaten blies, waardoor de mens een levend wezen werd.
Dit vers laat zien hoe intiem en persoonlijk God’s scheppingsdaad was. In een tijd waarin we vaak gefocust zijn op technologie en dingen die we kunnen creëren of verbeteren, herinnert dit vers ons eraan dat we fundamenteel verbonden zijn met de aarde en de adem van het leven die van God zelf komt.
Het maakt ons bewust van de waarde van elk mensenleven, dat niet zomaar een toevallig product van de natuur is, maar op een unieke en bijzondere manier door God is gevormd. Het kan ons inspireren om met meer respect en zorg met onszelf en anderen om te gaan, te beseffen dat in ons allen die goddelijke vonk zit die we delen met Adam. In een wereld waar individualisme prominent aanwezig is, herinnert Genesis 2:7 ons eraan dat we deel zijn van iets veel groters, een goddelijke schepping die altijd met ons verbonden blijft.