Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’ Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’ — Marcus 9:35-37
In Marcus 9:35-37 zegt Jezus iets belangrijks wat ons doet nadenken over hoe we naar grootheid en belangrijkheid kijken. Hij zegt: “Wie de eerste wil zijn, moet de allerlaatste zijn en de dienaar van allen.” Dit gaat eigenlijk helemaal tegen de gebruikelijke gedachte in dat de eerste plaats het meeste aanzien geeft.
Jezus tilt een kind op en zegt dat wie zo’n kind ontvangt, ook Hem ontvangt. Kinderen stonden destijds aan de onderkant van de sociale ladder, zonder macht of invloed. Maar Jezus laat zien dat juist zij waardevol zijn in Gods koninkrijk. Het onderstreept dat echte grootheid niet ligt in macht hebben of belangrijk worden gevonden door anderen, maar in simpelweg anderen dienen en liefhebben, zelfs als daar niets tegenover staat.
In ons leven kunnen we dit soms vergeten. We streven vaak naar status, geld, of roem, maar vanuit Jezus’ perspectief is het zorgen voor anderen, vooral voor degenen die misschien door de maatschappij over het hoofd worden gezien, het meest waardevolle. Laten we proberen te leven als een dienaar, met een hart dat klaarstaat om liefde te geven, ongeacht wie je tegenover je hebt.