Toeschouwen of deelnemen

Toeschouwen of deelnemen

De spreker opent met een gebed vol ontzag voor God. Hij noemt God de Alfa en de Omega, de Schepper van hemel en aarde en de liefdevolle Vader die dichtbij wil zijn. Vanuit Johannes 3:16 dankt hij voor Gods verlangen dat ieder Jezus leert kennen. Na de aanbidding zegt hij dat juist in Gods aanwezigheid ontzag groeit: God is de grote Koning die regeert en tegelijk de Vader bij wie mensen dichtbij mogen komen.

Het thema van de preek is: toeschouwen of deelnemen. De spreker gebruikt het beeld van een voetbalwedstrijd: iemand kan op de tribune zitten en kijken, of zelf het veld in gaan. Met dat beeld gaat hij naar Nehemia 1 en 2. Hij schetst hoe Jeruzalem na de ballingschap nog kwetsbaar is, met muren in puin en verbrande poorten, terwijl Nehemia in Perzië een veilige positie heeft als schenker van koning Artaxerxes.

Bij Nehemia ziet de spreker een weg in stappen. Nehemia hoort de nood, laat die diep binnenkomen, huilt, vast en bidt. Daarbij verbindt de spreker dit met Filippenzen 2 en 1 Johannes 3: liefde blijft niet bij woorden, maar wordt zichtbaar in daden. Nehemia rent niet meteen vooruit, maar zoekt eerst God. In zijn gebed houdt hij God vast aan zijn belofte dat Hij zijn volk zal terugbrengen als het zich weer tot Hem keert.

Daarna laat de spreker zien dat er verschil is tussen roeping en timing. Nehemia bidt maanden voordat de koning hem aanspreekt. Wanneer dat moment komt, bidt hij opnieuw en vraagt hij moedig om naar Juda te mogen gaan. De spreker verbindt dit met Mattheüs 6: zoek eerst Gods Koninkrijk. Als God roept, is het nodig om Hem te zoeken, te wachten op zijn tijd en dan ook werkelijk stappen te zetten, zelfs als dat veiligheid of vertrouwde patronen kost.

Nehemia gebruikt wat God hem gegeven heeft: zijn plaats bij de koning, zijn toegang en zijn mogelijkheden. Hij vraagt brieven en hout, onderzoekt in Jeruzalem eerst zorgvuldig de schade, en deelt daarna zijn verlangen met het volk. Dan wordt zijn roeping een gezamenlijke opdracht: zij zullen samen bouwen. De spreker benadrukt dat dienen niet alleen iets groots of zichtbaars is, maar ook koffiezetten, schoonmaken, helpen, bemoedigen en met liefde de ander dienen.

De preek eindigt met een duidelijke oproep. De spreker vraagt of mensen toeschouwer blijven of deelnemer worden in Gods Koninkrijk. Wie iets anders wil zien in zijn leven of omgeving, zal ook iets anders moeten gaan doen. Hij roept op om stil te worden, te vragen waar God verantwoordelijkheid geeft, en vandaag te besluiten om God en anderen te dienen, met tijd, plek, middelen en beschikbaarheid.

Bijbelgedeelte: Johannes 3:16; Jozua 1:9; Nehemia 1:2-11; Filippenzen 2:3-4; 1 Johannes 3:17-19; Mattheüs 6:28-33; Nehemia 2:1-20; Jakobus 1:21-25; 1 Petrus 4:10; 1 Korinthe 12:12-20; Efeziërs 4:15-16; Hebreeën 12:1-2