Bidden en ontvangen

Bidden en ontvangen

De spreker opent door terug te komen op het vasten. Hij benadrukt dat vasten geen wedstrijdje niet eten is en dat niemand zich hoeft te verontschuldigen voor hoe lang of op welke manier hij vast. Het gaat erom te doen wat God op het hart legt. Daarna verbindt hij vasten met geest, ziel en lichaam: niet het lichaam of de ziel hoort te bepalen, maar de geest die verbonden is met de Heilige Geest. Vasten is volgens hem een oefening om het lichaam onder gezag te brengen.

Daarna deelt de spreker wat hij in de afgelopen week heeft ontvangen rond het thema bidden en ontvangen. Hij begint bij Matteüs 21, waar Jezus zegt dat wie in geloof bidt, zal ontvangen. Die zin houdt hem al langer bezig, omdat hij gelooft dat Jezus de waarheid spreekt, maar tegelijk niet altijd ziet dat alles waarvoor hij bidt ook gebeurt. Vanuit die spanning zoekt hij andere teksten op, zoals Matteüs 7, Lukas 11, Marcus 11, Johannes 14 en Johannes 16.

Steeds opnieuw ziet de spreker dezelfde lijn terugkomen: bid, zoek, klop, vraag in Jezus’ naam en geloof zonder te twijfelen. Ook Jakobus 1 komt langs, waar staat dat wie wijsheid tekortkomt God daarom mag vragen. De spreker wil daarmee niet zeggen dat bidden een simpele formule is, maar wel dat de Bijbel duidelijk spreekt over Gods verlangen om te geven. Hij moedigt de gemeente aan om niet te snel te concluderen dat iets niet kan, maar Gods Woord serieus te nemen.

De spreker wijst ook op voorwaarden die in de Bijbel genoemd worden. In 1 Johannes 3 gaat het over vrijmoedigheid als het hart niet veroordeelt, en over het bewaren van Gods geboden: geloven in Jezus Christus en elkaar liefhebben. Hij gebruikt het beeld van zijn kinderen die vrijmoedig om van alles vragen, om te laten zien hoe kinderen bij hun vader komen. Zo mogen gelovigen volgens hem ook tot God naderen, niet als buitenstaanders, maar als zonen en dochters.

Vanuit Johannes 15 en 1 Johannes 5 legt de spreker uit dat bidden naar Gods wil niet vaag hoeft te blijven. Gods Woord laat zien wat zijn verlangen is. Hij noemt onder andere het gebed om arbeiders voor de oogst, uit Matteüs 9 en Lukas 10. Dat is volgens hem in elk geval een gebed naar Gods hart, ook voor Tiel en voor de gemeente. Ook gebed om redding, wijsheid, genezing en bewogenheid mag vanuit Gods Woord worden gebeden.

De preek eindigt in gebed. De spreker vraagt God om het verstand van de gemeente te overstijgen en door de Heilige Geest een nieuwe openbaring te geven van wat het betekent om kind van God te zijn. Hij bidt dat de gemeente leert vragen, zoeken en kloppen, en dat zij steeds meer naar Gods wil zal bidden. Ook vraagt hij dat vasten, persoonlijk en als gemeente, ruimte maakt voor de geest om Gods wil te doen.

Bijbelgedeelte: Matteüs 21:21-22; Matteüs 7:7-10; Lukas 11:9-10; Marcus 11:24; Johannes 14:13-14; Johannes 16:23-24; Jakobus 1:5-6; 1 Johannes 3:21-23; Johannes 15:7-8; 1 Johannes 5:14-15; Jeremia 29:12; Matteüs 9:35-38; Matteüs 10:1; Lukas 10:1-2; Johannes 3:16