De spreker opent door de aanbiddingsgroep te bedanken, juist omdat zij in de hitte de gemeente meenemen in Gods aanwezigheid. Daarna grijpt hij terug op de vorige keer, toen het ging over Gods woord als zaad en als waarheid. Nu gaat hij verder met de oproep om Gods woord ook daadwerkelijk te spreken. Hij noemt een persoonlijk voorbeeld van iemand die steeds zei dat hij de vijftig niet zou halen, en verbindt dat met Spreuken: dood en leven zijn in de macht van de tong.
Aan de hand van Numeri 13 en 14 laat de spreker zien hoe belangrijk het is om te spreken wat God zegt. God had al gezegd dat Hij Kanaän aan Israël zou geven. Toch spraken tien verspieders vooral vanuit wat zij zagen: reuzen, gevaar en onmogelijkheid. Jozua en Kaleb zagen dezelfde werkelijkheid, maar hielden vast aan Gods belofte. Volgens de spreker laat dit zien dat woorden richting geven: ongeloof hield het volk veertig jaar in de woestijn, terwijl geloof sprak vanuit Gods woord.
Daarna noemt de spreker Jabes uit 1 Kronieken 4 en de belegerde stad Samaria uit 2 Koningen 7. Jabes bad om zegen en God liet komen wat hij had gevraagd. In Samaria sprak Elisa namens de Heer overvloed uit, terwijl een officier dat woord in twijfel trok. De spreker benadrukt dat God soms op manieren werkt die mensen niet kunnen bedenken, zoals toen het leger van de Syriërs door een geluid op de vlucht sloeg.
Ook bij Jezus en de discipelen in Markus 4 ziet de spreker hetzelfde principe. Jezus zei: “Kom, laten wij naar de overkant gaan.” Toch werden de discipelen bang toen de storm kwam. De spreker legt uit dat zij mochten vertrouwen op wat Jezus had gezegd. Ook bij Petrus, die pas over het water liep nadat Jezus zei: “Kom”, benadrukt hij dat spreken en handelen moeten aansluiten bij een woord van God.
De spreker verbindt dit met Ezechiël 37, waar de profeet moest spreken tegen de dorre beenderen. God had het zelf kunnen doen, maar koos ervoor om door een mens te spreken. Ook Jakobus 3 wordt genoemd: de tong is klein, maar stuurt veel. Daarom besloten de spreker en Harry niet meer te zeggen dat Tiel harde grond is, maar juist dat het vruchtbare grond is die veel vrucht zal dragen.
Aan het einde vertelt de spreker het beeld van een olifant die met een dun touw vaststaat, niet omdat hij niet los kan komen, maar omdat hij is gaan geloven dat hij vastzit. Zo kunnen mensen ook vastzitten aan oude leugens en overtuigingen. De oproep is om in de Bijbel te zoeken wat God zegt, dat hardop uit te spreken en Gods waarheid tegenover de leugen te zetten. Jezus is gekomen om leven en overvloed te geven.
Bijbelgedeelte: Spreuken 18:20-21; Numeri 13:1-14:45; 1 Kronieken 4:9-10; 2 Koningen 7:1-20; Markus 4:35-41; Mattheüs 14:28-29; Ezechiël 37:7; Jakobus 3:3-10; Johannes 10:10