Yahweh Rafa, de God die geneest

Yahweh Rafa, de God die geneest

Corné opent met de geboorte van zijn neefje Raphael. Die naam betekent dat God geneest, en juist na een periode van intense ziekte werd die geboorte voor de familie een teken van Gods trouw. Vandaaruit neemt hij de gemeente mee in de naam Yahweh Rafa: de Heer die geneest en herstelt. Die genezing raakt niet alleen het lichaam, maar ook hart, psyche, geweten, relaties, culturen en landen.

Vanuit Exodus 15:26 laat Corné zien dat God zich aan Israël bekendmaakt als de Heer die geneest. Hij is anders dan de afgoden van Egypte en roept zijn volk om niet terug te verlangen naar het oude leven. Ook als geloof strijd en woestijnperioden met zich meebrengt, blijft Gods karakter hetzelfde. Hij is de geneesheer die zijn volk beschermt en op zichzelf richt.

Corné verbindt Numeri 21 met Jezus. Zoals Israël naar de koperen slang keek en bleef leven, zo wijst Jezus in zijn gesprek met Nicodemus vooruit naar zijn eigen verhoging aan het kruis. Tegelijk waarschuwt Corné dat het middel geen afgod mag worden. Bidden voor genezing mag vrijmoedig en radicaal zijn, maar niet als formule waarmee mensen God proberen te sturen.

Daarna leest Corné uit Jesaja 53:3-7 en legt hij de nadruk op vers 5: door de striemen van de lijdende Knecht is genezing gekomen. Matteüs 8:16-17 laat volgens hem zien dat dit ook raakt aan lichamelijke en geestelijke bevrijding. Toch bewaart de Bijbel een balans: er is genezing in Gods Koninkrijk, en tegelijk wacht de volledige verlossing van het sterfelijke lichaam nog, zoals Romeinen 8:23 zegt.

In Johannes 14:12-14 hoort Corné een opdracht aan discipelen om in Jezus’ naam te bidden. Hij roept de gemeente op om zieken de handen op te leggen, maar met liefde, rust en leiding van de Heilige Geest. Er mag geen veroordeling zijn als iemand niet geneest. Met Galaten 4:13-14 laat hij zien dat zelfs Paulus ziek was en zorg nodig had. De toepassing is helder: bid vol geloof voor genezing en sta met een pastoraal hart naast wie lijdt.

Bijbelgedeelte: Exodus 15:26; Numeri 21:4-9; Johannes 3:14-15; Jesaja 53:3-7; Matteüs 8:16-17; Romeinen 8:23; Johannes 14:12-14; Galaten 4:13-14