Ik en mijn huis, wij zullen de Heer dienen

Ik en mijn huis, wij zullen de Heer dienen

Bekijk de preek

Eugène opent met de bijzondere gedachte dat dit zijn laatste preek in Tiel is. Hij vertelt dat hij lang heeft nagedacht over wat hij nog één keer wil meegeven. Daarom kiest hij voor zijn eigen trouwtekst uit Jozua 24:15: “Ik en mijn huis, wij zullen de Heer dienen.” Die tekst werd ook de trouwtekst van zijn jongste zoon. Voor Eugène is het een persoonlijke afscheidsrede, net zoals Jozua aan het einde van zijn leven nog één keer het volk Israël oproept.

Hij legt uit dat Jozua het volk herinnert aan alles wat God heeft gedaan. Israël kreeg een land, steden, wijngaarden en olijfbomen waar het zelf niet voor had gewerkt. Juist daarom roept Jozua op om de Heer oprecht en trouw te dienen en de afgoden weg te doen. Eugène benadrukt dat kiezen voor God niet een eenmalige keuze is, maar telkens opnieuw nodig is, ook wanneer God ver weg lijkt en de hemel gesloten voelt.

Daarbij spreekt Eugène over afgoden. Met woorden van Tim Keller zegt hij dat een afgod alles is wat het hart en de verbeelding meer in beslag neemt dan God. Dat kunnen ook goede dingen zijn, zoals een huis, hobby of levensstijl, wanneer ze de eerste liefde verdringen. Vanuit Psalm 16 laat hij zien dat David zegt dat de Heer zijn geluk is en dat het volgen van andere goden verdriet brengt. De oproep is om elkaar te helpen de Heer de eerste plaats te geven.

Vervolgens geeft Eugène vier dingen mee. Het eerste is dat God het eerste en het laatste woord heeft. Hij vertelt hoe zijn eigen agenda soms botste met die van God en hoe Spreuken hem leerde dat de mens zijn weg uitstippelt, maar de Heer de richting bepaalt. Het tweede is: leef tot Gods eer. Wie de Heer dient, wil zijn naam niet beschadigen, maar leven vanuit genade, dankbaarheid en heiliging.

Het derde is: dien de Heer door anderen te dienen. Eugène verbindt dat met Filippenzen 2 en met Jezus die de voeten van zijn discipelen wast. Dienen betekent anderen tot hun recht laten komen, ook als niemand het ziet. Het vierde is: laat de volgende generatie op jouw schouders staan. Zoals Mozes Jozua ruimte gaf en hem zegende in de strijd tegen Amalek, zo mogen ouderen de jongeren helpen om verder te gaan met God.

Eugène eindigt met dankbaarheid voor de gemeente als een warme huiskamer waar hij mocht delen, oefenen en samen optrekken. Hij wenst de gemeente toe dat deze woorden een plek in hun hart krijgen en dat zij aan het einde van hun leven vrucht hebben gedragen. In zijn gebed vraagt hij dat God de gemeente vasthoudt, laat groeien en ook de volgende generatie verlangen geeft om de Heer te volgen.

Bijbelgedeelte: Jozua 24:13-15; Psalm 16:2-4; Spreuken 16:9; Spreuken 21:2; Hosea 11:9; Efeziërs 2:8-10; Filippenzen 2:3-5; Johannes 13:12-15; Exodus 17:9; Galaten 5:22-23; Matteüs 25:21