Eugène opent met de vraag naar welke discipel de gemeente die ochtend gaat kijken. Het is niet Jezus, maar Thomas: de discipel die in het Johannes-evangelie drie keer bij name wordt genoemd en telkens maar kort spreekt. Toch ziet Eugène in die drie momenten een reis van geloof. Thomas wordt herkenbaar als iemand die wil begrijpen, worstelt met wat hij ziet en leert om Jezus te vertrouwen.
Eerst bespreekt Eugène Johannes 11, over de ziekte, dood en opstanding van Lazarus. Jezus hoort dat zijn vriend ziek is, maar gaat niet meteen naar Betanië. De discipelen weten dat teruggaan richting Jeruzalem gevaarlijk is, omdat Jezus daar eerder bijna gestenigd werd. Thomas reageert moedig en tegelijk ontgoocheld: dan moeten ze maar meegaan om met Hem te sterven. Eugène laat zien dat de zichtbare werkelijkheid van dreiging ons kan verhinderen om de lessen van Jezus te verstaan.
Daarna gaat Eugène naar Johannes 14, direct na het avondmaal. Jezus spreekt over het huis van de Vader en zegt dat de discipelen de weg kennen. Thomas begrijpt dat niet en vraagt hoe zij de weg kunnen weten als ze niet eens weten waar Jezus heen gaat. Eugène benadrukt dat Thomas vooral met zijn hoofd luistert. Jezus wijst hem op zichzelf als de weg, de waarheid en het leven. Geloven is niet eerst alles begrijpen, maar leren vertrouwen.
Het derde moment komt uit Johannes 20. Thomas is er niet bij als Jezus aan de andere discipelen verschijnt, en hij wil eerst de wonden zien voordat hij gelooft. Eugène wijst erop dat Jezus zeven dagen niets doet en Thomas laat worstelen. Juist die afwezigheid kan terugbrengen naar de basis van geloof. Wanneer Jezus opnieuw verschijnt, komt Hij Thomas tegemoet. Thomas antwoordt met: Mijn Heer en mijn God.
Eugène vat de lessen samen: wie alleen kijkt naar de zichtbare werkelijkheid, mist het perspectief van Jezus; wie zich alleen laat leiden door verstand, mist de essentie van zijn onderwijs; en door ongeloof kan de opstandingskracht aan iemand voorbijgaan. De oproep is om, ook in worsteling en onbegrip, naar Jezus toe te gaan. Hij is de opgestane Heer, Hij vormt zijn kinderen en geeft broers, zussen en gemeente om samen meer op Hem te gaan lijken.
Bijbelgedeelte: Johannes 11:1-16; Johannes 14:1-6; Johannes 20:24-29; Handelingen 8:26-40; Handelingen 12:1-11