Eugène opent persoonlijk met woorden uit Prediker over een tijd van komen en een tijd van gaan. Hij vertelt dat zijn geheugen hem bij het preken steeds vaker in de steek laat en dat hij daarom afscheid neemt van het spreken. Toch wil hij deze keer nog niet zijn terugblik op vijftig jaar prediking geven. Hij neemt de gemeente mee naar de tijd na de ballingschap, naar Jeruzalem, waar armoede, mislukte oogsten, vervallen muren en een stilgevallen tempelbouw het leven tekenen.
Hij schetst hoe Haggai verschijnt tussen de bouwvallen van de tempel. De boodschap is helder: het huis van de Heer moet herbouwd worden, want God wil weer wonen in het midden van zijn volk. Eugène benadrukt dat de Heer de geest van Zerubbabel, Jozua en het volk opwekt, zodat zij opnieuw verlangen krijgen om voor God actief te zijn. Daar legt hij de vraag naast of de gemeente ook openstaat voor het werk van de Geest en bereid is prioriteiten te verleggen.
Daarna komt Zacharia in beeld. Eugène laat zien dat werken aan het huis van de Heer niet hetzelfde is als het hart openen voor de Heer. Je kunt bouwen en toch afgoden dienen. Hij verwijst naar Ezechiël, die in een visioen ziet hoe oudsten met wierook voor afgoden staan in verborgen kamers. Zo waarschuwt Eugène dat afgoden niet altijd duidelijk zichtbaar zijn, maar ongemerkt een plaats in het leven kunnen krijgen.
In Zacharia 3 ziet de profeet een hemelse rechtszaak. Jozua, de hogepriester, staat daar in vuile kleren, terwijl Satan hem aanklaagt. Eugène legt uit dat Jozua het volk vertegenwoordigt en dat de vuile kleren hun schuld verbeelden. De engel van de Heer noemt hem brandhout, maar brandhout dat uit het vuur is gerukt. Daarin ziet Eugène het evangelie: God redt mensen die niets uit zichzelf kunnen inbrengen, door genade.
Wanneer Jozua schone feestkleren en een tulband krijgt, ziet Eugène vergeving, reiniging en herstel van roeping. Hij verbindt dit met Jezus, die de schuld op zich neemt, en met Romeinen 8: niemand kan Gods uitverkorenen beschuldigen, omdat God rechtvaardigt. De hogepriester mag opnieuw dienen, en zo mogen gelovigen ook staan in de dienst van verzoening en voorbede, juist te midden van nood, ziekte, oorlogen en machteloosheid.
Eugène eindigt met de oproep om de ontvangen genade zuiver te bewaren, steeds weer op te staan waar men struikelt en de wegen van de Heer te gaan. Gelovigen zijn volgens hem wondertekens van Gods genade: mensen die falen en toch door God gebruikt worden. Daarom nodigt hij de gemeente uit tot stilte en gebed, om mensen bij God te brengen in vertrouwen dat Hij iets doet met dat gebed, op zijn tijd en op zijn wijze.
Bijbelgedeelte: Prediker 3:1-2; Haggai 1:4-14; Ezechiël 8:7-12; Zacharia 3:1-10; Romeinen 8:33-34