De preek van Menno, getiteld “Maar wij zien Jezus!”, draait om de Psalm 8 waarin koning David zich verwondert over Gods grootheid en de bijzondere plaats van de mens binnen Gods schepping. Menno begint met persoonlijke herinneringen aan zijn jeugdgemeente en zijn ervaringen daar, waaronder een sterke aanraking van de Heilige Geest als jongen van elf. Hij benadrukt dat Psalm 8 volledig gericht is op God en tevens verwijst naar Jezus als Messias, waardoor de mens een hoge status krijgt: iets lager dan engelen, gekroond met eer en glorie.
Toch worstelt Menno ook met de vraag die centraal staat: “Wat is de mens dat u aan hem denkt?” Hij deelt kwetsbare ervaringen uit zijn opvoeding, waarin hij worstelde met negatieve overtuigingen over zijn eigen waarde, mede door uitspraken vanuit zijn omgeving. Hij benadrukt hoe woorden diepe sporen kunnen nalaten en je soms jarenlang kunnen achtervolgen. Menno erkent dat er momenten zijn waarop we ons klein voelen, onwaardig, of zelfs mislukt.
Menno haalt ook Job aan, die soortgelijke gevoelens van zinloosheid en minderwaardigheid ervoer. Toch wil hij niet blijven hangen in een negatieve kijk op onszelf. De sleutel ligt volgens hem in hoe we naar Jezus kijken. Jezus is de vervulling van Psalm 8, waarin beschreven staat dat alles onder zijn voeten onderworpen is. Jezus werd tijdelijk minder dan engelen, maar is gekroond met glorie door zijn offer. Door naar Jezus te kijken, zien we hoeveel waarde wij hebben—Hij gaf immers zijn leven voor ons.
Menno roept op om onze identiteit te definiëren vanuit het perspectief van Jezus’ offer. We mogen erkennen dat we waardevol zijn, niet vanuit eigen prestaties, maar omdat Jezus alles voor ons gegeven heeft. Dit besef verandert onze kijk op onszelf volledig: we zijn kostbaar en geliefd. Hij moedigt aan om deze waarheid dagelijks uit te spreken en te proclameren, vooral wanneer negatieve gedachten ons dreigen te overweldigen.
Uiteindelijk benadrukt Menno dat we onze waarde niet moeten zoeken in wat anderen zeggen of denken, maar in hoe God ons ziet—namelijk als geliefde kinderen, kostbaar genoeg voor Jezus om zijn leven voor ons te geven. Dit geeft vrijheid, vreugde en diepe dankbaarheid.